M.1.00 Luchtdichtheid

 

M.1.01 algemeen

Luka streeft er naar om in nauwe samenwerking met leveranciers c.q. fabrikanten van appendages de optredende luchtlekkage van de luchttransportweg te beperken en hiermee het energie gebruik van de luchtbehandelingsinstallatie te verminderen.
Onder de luchttransportweg dienen te worden begrepen:

  • luchtkanalen;
  • tussen te monteren appendages;
  • flexibele slangen.

 

M.1.02 luchtdichtheid van luchtkanalen

Alleen in uitzonderingsgevallen moet een kanaalsysteem volkomen luchtdicht zijn. Om veiligheidsredenen is een lek ontoelaatbaar, bij bijvoorbeeld transport van gevaarlijke gassen of bij sterk verontreinigde lucht. Een kanaalsysteem voor een ventilatie- en klimaatbeheersingsinstallatie, dat volgens de gangbare productiemethoden wordt vervaardigd, vertoont op naden en verbindingen een zekere mate van lek. Het is gewenst de toelaatbare hoeveelheid leklucht om redenen van economie en hinder, vast te leggen. Hoewel de lek optreedt aan de dwars- en langsverbindingen, in het bijzonder bij de hoeken, wordt aangenomen dat de hoeveelheid leklucht evenredig is met het kanaalwandoppervlak. Uit onderzoek is gebleken dat de hoeveelheid leklucht per m2 wandoppervlak kan worden geschreven als:

De toelaatbare hoeveelheid leklucht wordt gerelateerd aan klassen van luchtdichtheid, waarvoor een toetsingsdruk geldt, die ontleend is aan NEN-EN 1507 en 12237. Internationaal worden de volgende klassen gehanteerd:

 

Indien besteksmatig niet anders is aangegeven, hanteert Luka klasse B als luchtdichtheidseis. Door meting kan worden vastgesteld of het onderzochte kanaaldeel aan de gestelde eis voldoet. In de praktijk wordt na meting met een daarvoor geschikt testapparaat direct de mate van lek beoordeeld aan de hand van een grafiek waarin voor de gegeven dichtheidsklasse B het maximaal toelaatbare luchtlekverlies voor gemonteerde kanaaldelen staat aangegeven.

 

Voor de uitvoering van de lektekst wordt het volgende in acht genomen:

  • het te testen deel is gemonteerd, doch bij voorkeur niet voorzien van uitwendige isolatie;
  • het te testen deel is luchtdicht afgescheiden van de rest van het systeem en voorzien van eventueel tussen gemonteerde appendages waarvoor de toetsingseisen vast staan;
  • indien een totaal kanaalsysteem, oftewel de luchttransportweg, wordt beoordeeld, heeft het te testen deel een oppervlak van minimaal 10 m2 en maximaal 80 m2; (afhankelijk van de capaciteit van de test apparatuur)
  • het te testen deel wordt gedurende 5 minuten op de toetsingsdruk (= testdruk) gehouden, alvorens de lekvolumestroom wordt gemeten;
  • maximaal zal 1% van het totale oppervlak van het kanaalproject worden getest;
  • de afwijking van de testdruk mag ongeveer 20 Pa bedragen.

werkingsprincipe

De lektester bestaat in principe uit een ventilator met regelbaar toerental, een manometer om de druk in het luchtkanaal te meten, een gekalibreerd inlaatstuk (venturi) en een nauwkeurige schuine buis manometer om de zuigdruk in de venturi te meten. Er worden 3 verschillende inlaatstukken meegeleverd (elk met een eigen curve) om het gehele bereik van de lektester te kunnen omvatten. Wanneer de lektester is aangesloten op de te testen kanaalsectie, wordt het toerental zodanig geregeld, dat de vereiste testdruk binnen de gestelde marge gehandhaafd blijft. De hoeveelheid lucht die door lekkage verloren gaat, wordt via de venturi van de lektester aangezogen. Door het aflezen van de schuine buismanometer kan de luchtlekkage in l/s in de tabel op de lektester worden afgelezen. Het meetinstrument dient eens per 3 jaar gekalibreerd te worden en dient een meetnauwkeurigheid te bezitten van ± 5 %.

 

 

Naast de boven omschreven lektester kan deze ook zo uitgevoerd zijn dat digitaal kan worden afgelezen. Door de blijvende nauwkeurigheid kan kalibratie een per 5 jaar plaats vinden.

 

E.e.a staat omschreven in de EN 1751, EN 1507 en de EN 12237.

 

M.1.03 luchtdichtheid van appendages

 

M.1.03.1 meetmethode luchtlekkage van appendages

Ten einde te kunnen beoordelen of een appendage aan de gestelde luchtdichtheidseis voldoet, dienen er metingen te worden gedaan. Het werkingsprincipe van de meting is in principe dezelfde als bij het meten aan luchtkanalen. Voor de metingen aan de enkele appendage is een standaard proefopstelling vereist. Deze meetopstelling, volgens NEN-EN 1751, ziet er uit als weergegeven rechts naast de tekst.

 

Voor het LUKA Systeem certificaat verlangen Luka leden meetrapporten van leveranciers van appendages dan wel informatie middels het “Luka Appendage Register”, het “LAR”, om te kunnen beoordelen of de geprojecteerde appendages voldoen aan de gestelde luchtdichtheidseis. Metingen dienen uitgevoerd te zijn door een meetinstituut met een kwaliteitssysteem volgens ISO 17025. De (inter)nationale accreditatie instelling van dit meetinstituut dient erkend en aangesloten te zijn bij de EA of MLA. Met betrekking tot de erkenning wordt verwezen naar de website van de Raad van Accreditatie (www.rva.nl/search). Tevens accepteren de LUKA leden eigen meetrapporten van leveranciers van appendages, mits deze leveranciers beschikken over een geldig TÜV Rheinland Nederland BV Meetlabel.

 

M.1.03.2 rechthoekige appendages

 

 

In de Europese norm NEN-EN 1751, voor de bepaling van de toelaatbare luchtlekkage van kleppenregisters, is voor de lengte van deze appendages een equivalente lengte aangegeven van 1 meter, wanneer de werkelijke lengte kleiner of gelijk is aan 1 meter. Uit praktische overwegingen is door Luka met leveranciers c.q. fabrikanten overeen gekomen deze equivalente lengte voor alle rechthoekige appendages te hanteren. Dit voor zover de technische uitvoering dit toelaat en de werkelijke lengte kleiner is dan 1 meter. Dit houdt in dat de formule voor de maximale luchtlekkage voor elke rechthoekige appendage is: øL/app = f.Ps0,65.(2H + 2B).L(l/s)

 

Waarbij:

øL/app = maximale hoeveelheid leklucht in l/s
f = lekfactor
Ps = statische druk Pa
B = breedte van het component in meters
H = hoogte van het component in meters
L = lengte van het component in meters, L = 1 wanneer de lengte van de appendage kleiner is dan 1 meter of de werkelijke lengte als de lengte meer is dan 1 meter.

 

voorbeeld: berekening van het toelaatbare lekluchtverlies

Voor een brandklep 600 x 600 mm met L = 500 mm.
Ps = 1000 Pa
f = 0,009 (zie tabel in hoofdstuk M.1.02 luchtdichtheid van luchtkanalen).

 

Deze brandklep mag dus maximaal 1,92 l/s lekken naar de omgeving bij 1000 Pa, om te voldoen aan luchtdichtheidsklasse B. Uitgaande van voorgaande formule, zal de maximale toelaatbare lekkage voor een appendage (met een lengte kleiner dan 1 meter) in de luchtdichtheids klasse B bij de navolgende drukken als volgt te berekenen zijn:

 

M.1.03.3 ronde appendages

Uit praktische overwegingen is door Luka met leveranciers c.q. fabrikanten overeengekomen de equivalente lengte van 1 meter, zoals gesteld in de norm NEN-EN 1751, ook voor alle ronde appendages te hanteren. Dit voor zover de technische uitvoering dit toelaat en de werkelijke lengte kleiner is dan 1 meter. Dit houdt in dat de formule voor de maximale hoeveelheid leklucht voor elke ronde appendage die voldoet aan luchtdichtheidsklasse B is:

 

M.1.03.4 flexibele slangen

De bepaling van de luchtdichtheid van flexibele slangen staat omschreven in de NEN-EN 13810.

 

M.1.03.5 bepaling oppervlak van het te testen kanaal

In onderstaande tabel wordt de bepaling aangegeven van het aantal m2 systeem- oppervlak, welke gebruikt moet worden in de formule voor de luchtlekkage. In de tabel wordt voor de appendage een lengte van 1000 mm aangehouden, tenzij de werkelijke lengte groter is dan 1 meter. Dan wordt de werkelijke lengte ingevuld.(zie ook 5,02 opmetingsmethodiek)