L.1.00 Montagevoorschriften
L.1.01 algemeenDeze montagevoorschriften voldoen aan de voorschriften NEN-EN 1505 t/m 1507. In het kader van de overeenkomst tussen Luka en TNO Certification is de controle op de fabricage en montagekwaliteit door TNO Certification opgedragen aan TNO Quality Services B.V. Enkele belangrijke onderwerpen uit het projectplan zijn:
De Luka leden beschikken over een bedrijfseigen veiligheids- of Arbosysteem. In veel gevallen zal dit systeem gecombineerd zijn met het milieu- en kwaliteitssysteem.
L.1.02 transport en opslagHet transport van luchtkanalen dient op een verantwoorde wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport van ronde hulpstukken gebruik te maken van dozen, netzakken, bundels, kratten of containers. Luchtkanalen zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan verbindingsprofielen bij rechthoekige kanalen en aan de randen van ronde kanalen, verhogen de kans op luchtlekkages. Om beschadigingen zoveel mogelijk te voorkomen, verdient het aanbeveling de leveringen op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage. De opslag op de bouwplaats kan zowel in de open lucht als in de ruwbouw plaatsvinden. In beide gevallen dienen de kanalen op een droge ondergrond te worden opgeslagen. Bij plaatsing in de open lucht dienen de kanalen tegen extreme weersinvloeden en vervuiling te worden beschermd. Het is gewenst de luchtkanalen en hulpstukken, na aflevering op de bouwplaats, met behulp van een kraan of bouwlift zo dicht mogelijk bij de plaats van montage op te slaan.
L.1.03 montagevoorschriften rechthoekige en ronde luchtkanalenBij aanvang van elke montage dient de leidinggevende monteur in het bezit te zijn van montagetekeningen c.q. materiaallijsten. Tevens dient de montageleiding uitleg te geven over de inhoud van de montagevoorschriften en de specifieke voorschriften die gelden voor de bouwlocatie.
L.1.03.1 ophanging en ondersteuning van ongeïsoleerde rechthoekige metalen kanalenDe luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.
De meest voorkomende constructies zijn:
De ophanging moet samengesteld worden uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal, voorzien van vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal hart-op-hart 3 meter, kunnen worden uitgevoerd in een profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen. (zie bijgevoegde tabel)
Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden minimaal corrosiewerend uitgevoerd. Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen staan in lengte-richting maximaal 2,5 meter hart op hart.
L.1.03.2 ophanging en ondersteuning van rechthoekige kunststof, mineraalwol en hardschuim kanalenRechthoekige luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.
De meest voorkomende constructies zijn:
De ophanging samen te stellen uit een boven- en onderbeugel met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal 3 meter hart op hart, moeten worden uitgevoerd in profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen (zie tabel L.1.03.1). Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden minimaal corrosiewerend uitgevoerd. Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige of aluminium (AlMg3) ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen staan in lengterichting maximaal 2,5 meter hart op hart.
Montagevoorbeelden ongeïsoleerd rechthoekig kanaalwerk
|
|
![]() |
|
L.1.03.3 ophanging en ondersteuning van geïsoleerd rechthoekig kanaalwerkIndien het kanaalwerk na het monteren uitwendig wordt geïsoleerd, moeten tussen de onderbeugel en het kanaal MDF afstandblokjes 50 x 50 x 25 of harde persing isolatiestroken van 100 x 25 mm zijn aangebracht.
Montagevoorbeelden geïsoleerd rechthoekig kanaalwerk |
|
|
L.1.03.4 ophanging en ondersteuning van ronde metalen kanalenRonde luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal. De meest voorkomende constructies zijn:
De beugels bij buizen met een diameter van 500 mm en groter moeten worden uitgevoerd als tweepuntsophanging met een boven- en onderbeugel. Tussen de beugel en het luchtkanaal dient vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm te worden toegepast.
L.1.03.5 ophanging en ondersteuning van ronde kunststof kanalenDeze luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.
principe ophanging ongeïsoleerd kanaalwerk
L.1.04 montagevoorschriften plafondroostersIndien besteksmatig geen nadere specificatie van de plafondconstructie is aangegeven, wordt er van uitgegaan dat er sprake is van een rasterwerk van 600 x 600 mm voor het inleggen van de plafondroosters.
L.1.05 montagevoorschriften appendages
L.1.05.1 algemeenIn dit deel van het Kwaliteitshandboek worden tussen te bouwen appendages in de luchtkanaalsystemen behandeld. Hierbij zal worden voorbijgegaan aan de werking en het doel van deze appendages in de installatie. Dit hoofdstuk gaat vooral over de montage en de luchtdichtheid van de appendages in het luchtkanaalsysteem.
L.1.05.2 montagevoorschriften rechthoekige appendagesRechthoekige appendages dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Deze montage-voorschriften voldoen aan de voorschriften NEN-EN 1505 t/m 1507.
De ophanging wordt samengesteld uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal (of ander materiaal, indien dit is omschreven in het bestek), voorzien van vilt of P.E. band, met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6 direct langs de appendage. De afstand tussen de draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte, afhankelijk van de aanwezigheid van uitwendige isolatie. De beugel moet, voor of achter de appendage, op een minimale afstand van 100 mm en een maximale afstand van 400 mm worden gemonteerd en moet worden uitgevoerd in een profielvorm (zie bijgaande tabel) dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen.
Omdat flenzen van de luchtkanalen niet altijd overeenkomen met de flenzen van de appendages zijn er verschillende manieren om deze aan elkaar te koppelen.
L.1.05.3 montagevoorschriften ronde appendagesEr zijn 2 verschillende manieren om de ronde appendages aan de ronde luchtkanalen te bevestigen:
Appendages, voorzien van ronde aansluitingen voorzien van “safe” verbinding, verdienen de voorkeur, daar hierbij op een efficiëntere wijze aan luchtdichtheidseisen kan worden voldaan. L.1.05.4 transport en opslag appendagesHet transport en opslag van appendages dienen op een verantwoorde wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Appendages zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandelingen. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan appendages verhogen de kans op lekkages. Het verdient daarom aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten (of kunststof) kratten, dozen of containers.
L.1.05.5 inspectie appendagesTen behoeve van inspectiemogelijkheden voor appendages worden in de nabijheid inspectie luiken aanbevolen. Deze worden echter alleen aangebracht indien deze in het bestek, dan wel op de bestektekeningen van de luchtkanalen, zijn vermeld of aangegeven.
L.1.06 appendages voor kanaalinbouw
L.1.06.1 brandkleppen
materiaalkwaliteitNormaliter worden brandkleppen vervaardigd van de volgende materialen:
Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier. Een brandklep moet voldoen aan de NEN 6077 en/of NEN-EN 1366-2.
verbindingenDe rechthoekige brandklep dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. De ronde brandklep kan zijn voorzien van een insteekflens of voorzien van een flensrand. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk “Luchtkanalen”.
afmetingenDe afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en 1506 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06 en A3.06. De nominale afmetingen van de brandkleppen hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm. Brandkleppen dienen geselecteerd te worden binnen de nominale snelheden voor de netto doorlaat van de kleppen.
inspectiemogelijkhedenHet moet altijd mogelijk zijn om brandkleppen te inspecteren op werking en klepstand (dit is meestal van buitenaf te controleren). Om op vervuiling te controleren, dient er een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van of geïntregreerd in de brandklep (bij voorkeur aan de bedieningszijde). (zie L.1.05.5)
montagevoorschriftenVoor het monteren van brandkleppen tussen luchtkanalen, zie hoofdstuk “montage voorschriften appendages”.
L.1.06.2 kleppenregistersmateriaalkwaliteitNormaliter worden kleppenregisters vervaardigd van de volgende materialen:
Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.
verbindingenHet kleppenregister dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen benodigd zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk ”Luchtkanalen”.
uitvoeringHet kleppenregister kan gelijkroterend, dan wel contraroterend worden uitgevoerd.
afmetingenDe afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06. De nominale afmetingen van de kleppenregisters hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.
inspectiemogelijkhedenHet moet altijd mogelijk zijn om kleppenregisters te inspecteren op werking en klepstand (dit is meestal van buitenaf te controleren). Om op vervuiling te controleren dient er een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van de appendage. (zie L 1.05.5)
montagevoorschriftenVoor het monteren van kleppenregisters tussen luchtkanalen, zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”.
L.1.06.3 variabel en constant volumeregelaars VVR en CVR
|
|
![]() |
|
afmetingenDe verkrijgbare nominale afmetingen van de tussengebouwde koelers/verwarmers zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A.1.06. Ze hebben betrekking op de lengte met een tolerantie van +0 tot -5 mm.
inspectiemogelijkhedenHet moet altijd mogelijk zijn om tussengebouwde koelers en/of verwarmers te inspecteren op lekkages, vervuiling etc. Daarvoor dient er een inspectieluik, direct voor en na de koeler en/of verwarmer, in de luchtkanalen te zijn opgenomen. (L. 1.05.5)
montagevoorschriftenTussengebouwde Koelers en verwarmers dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Voor het monteren van de koelers/verwarmers tussen de luchtkanalen zie ook hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”. In tegenstelling tot wat in dit hoofdstuk is omschreven, moet er zowel op een afstand van 100 - 400 mm voor als na de koeler/verwarmer een ophanging worden gemaakt. (zie L. 1.05.2)
aanbrengen en afwerking van isolatieHet aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt, dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen. Om condensatie te voorkomen dient bij koelers, indien condensatie kan onstaan, de isolatie aan de buitenzijde dampdicht te worden afgewerkt.
condensafvoerKoelers dienen voorzien te worden van een druppelvanger en een lekbak, met een voorziening voor condensafvoer met tussenschakeling van een sifon en met voldoende hoogte om het optredende drukverschil te compenseren. Tevens dient de afvoerleiding te worden voorzien van een drukloze afvoer.
transport en opslagZeer veel aandacht dient te worden besteed aan het transport. Het transport van koelers en verwarmers dient op een verantwoorde en vooral op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten kratten of containers. Koelers / verwarmers zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan koelpijpen verhogen de kans op lekkages. Om beschadigingen zoveel mogelijk te verkomen, verdient het aanbeveling de levering op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage.
L.1.06.5 bevochtigersalgemeenStoombevochtigers worden toegepast in een uitvoering met directe stoom of met indirecte stoom.
materiaalkwaliteitVoor normale comfortventilatie, worden bevochtigers vervaardigd van de volgende materialen:
verbindingenDe bevochtiger dient voorzien te zijn van een omkasting, voorzien van een flensrand, zodat deze deugedelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofstuk “lucht-kanalen”. Voor een optimale werking van de bevochtiger zie “montagevoorschriften” hierna.
afmetingenBevochtigers kunnen over het algemeen worden aangepast aan de reeds bestaande afmetingen. Overleg met de leverancier over de mogelijke inbouwlengten van spreidingsbuizen verdient aanbeveling. inspectiemogelijkheden
montagevoorschriftenBevochtigers dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Voor het monteren van bevochtigers tussen de luchtkanalen zie ook hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”. De bevochtigers moeten zodanig worden bevestigd, dat ze een strak en stabiel geheel vormen met de luchtkanalen. De waterzijdige aansluitingen moeten spanningsvrij gemonteerd kunnen worden. Om de stoom goed in de lucht op te laten nemen, dient er na de bevochtiger 2 meter recht kanaal te worden gemonteerd. Transport / opslag zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Om beschadigingen zoveel mogelijk te verkomen, verdient het aanbeveling de levering op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage.
aanbrengen en afwerken van isolatieHet aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt, dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen. Om condensatie te voorkomen dient bij adiabatische bevochtigers de isolatie aan de buitenzijde dampdicht te worden afgewerkt.
condensafvoerDe bevochtigers dienen voorzien te worden van een lekbak, met een voorziening voor condensafvoer, met tussenschakeling van een sifon en met voldoende hoogte om het optredende drukverschil te compenseren. Tevens dient de afvoerleiding te worden voorzien van een drukloze afvoer.
transport en opslagZeer veel aandacht dient er te worden besteed aan het transport. Het transport van koelers en verwarmers dient op een verantwoorde en vooral op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten kratten of containers. Stoombevochtigers zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan koelpijpen verhogen de kans op lekkages.
L.1.06.6 filtersecties
materiaalkwaliteitVoor normale comfortventilatie worden filtersecties vervaardigd van de volgende materialen:
Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.
verbindingenDe filtersectie dient voorzien te zijn van een omkasting en van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor de uitvoering hiervan verwezen te worden naar het hoofdstuk “luchtkanalen”.
afmetingenDe nominale maten van de filtersectie hebben betrekking op de standaard afmetingen van de filtereenheden met een tolerantie van +0 tot -5 mm. De afmetingen zijn gestandaardiseerd aangegeven in de onderstaande tabel.
montage voorschriftenVoor het monteren van filtersecties zie hoofdstuk “Montagevoorschriften appendages”.
inspectiemogelijkhedenHet moet altijd mogelijk zijn om de filtersectie te inspecteren op vervuiling. Daarvoor dient er, in gemonteerde situatie, een mogelijkheid te zijn om het filter eenvoudig uit te nemen, om te controleren en te vervangen. De mate van vervuiling kan worden gemeten met behulp van een delta P-meter. (drukverschil meter)
aanbrengen en afwerken van isolatieHet aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.
L.1.06.7 inspectieluiken
algemeenOok al worden in de Luka montagevoorschriften, ten behoeve van inspectiemogelijkheden, luiken aanbevolen, dan worden deze slechts alleen aangebracht indien deze in het bestek, dan wel op bestektekeningen, zijn vermeld of aangegeven.
Daar waar de luchtkanaalsystemen besteksmatig dienen te worden voorzien van inspectieluiken, dienen de posities en afmetingen hiervan op de tekening te zijn aangegeven. Deze luiken, voorzien van een pakking, worden deugdelijk op het kanaaldeel bevestigd, zonder dat hierdoor de constructieve uitvoering van dit deel wordt verzwakt. Ook kunnen zij worden uitgevoerd als compleet vormstuk, voorzien van een luik. Dit kanaaldeel kan worden gemonteerd tussen de delen van het doorgaande hoofdkanaal.
materiaalkwaliteitVoor normale comfortventilatie worden inspectieluiken vervaardigd van de materialen waaruit de luchtkanalen zijn vervaardigd. Een uitzondering hierop zijn de mineraalwol en hardschuim kanalen waarbij metalen luiken kunnen worden toegepast.
afmetingenDe afmetingen zijn afhankelijk van het fabrikaat en kunnen als voorbeeld gekozen worden als aangegeven in de navolgende tabellen voor standaard afmetingen: De nominale maten van de inspectieluiken hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.
aanbrengen en afwerken van isolatie |
|
![]() |
|
Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal(bij inwendige isolatie) dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.
montageOngeïsoleerde inspectiedeksels kunnen zowel in ronde buis als in rechthoekige kanaal worden ingebouwd of opgebouwd. Na zorgvuldig de juiste sparing in het kanaal te hebben aangebracht, dient volgens voorschriften van de fabrikant het inspectiedeksel te worden gemonteerd.
L.1.06.8 meetstations voor kanaal inbouw
|
|
![]() |
|
statische elektriciteitIn een aantal situaties kan, bij met name kunststof slangen, het opbouwen en ontladen van statische elektriciteit explosiegevaar opleveren. Door de spiraaldraad van de flexibele slang met een aardedraad te verbinden, kan de opbouw van statische elektriciteit worden geminimaliseerd.
L.1.06.11 plenumbakken (rooster plenums)
|

.jpg)
.jpg)
.jpg)

.jpg)

.jpg)
.jpg)
.jpg)

.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)

.jpg)


.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)

.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
