L.1.00 Montagevoorschriften

L.1.01 algemeen

Deze montagevoorschriften voldoen aan de voorschriften NEN-EN 1505 t/m 1507. In het kader van de overeenkomst tussen Luka en TNO Certification is de controle op de fabricage en montagekwaliteit door TNO Certification opgedragen aan TNO Quality Services B.V.
Veiligheid, gezondheid en milieu zijn ook bij montagewerkzaamheden belangrijke onderwerpen. Conform de Arbo-wet en de VCA hebben de verschillende partijen op de bouw een eigen specifieke verantwoordelijkheid. Zo is de hoofdaannemer eindverantwoordelijke voor de veiligheid op het project en het beschikbaar stellen van algemene faciliteiten en veiligheidsvoorzieningen.
De Luka leden hebben, als onderaannemer, onder andere de verantwoordelijkheid voor het juist handelen van hun medewerkers en hen te voorzien van de juiste middelen.
Doorgaans wordt dit alles vastgelegd in een projectplan. De Luka leden stellen aan de opdrachtgever of hoofdaannemer een bedrijfseigen projectplan ter beschikking. Dit plan dient als onderdeel van het totale projectplan dat door de hoofdaannemer opgesteld wordt.

Enkele belangrijke onderwerpen uit het projectplan zijn:

  • Toolbox meetingen en instructie aan medewerkers.
  • Monteurs beschikken over een geldig VCA diploma.
  • Het gebruik en beschikbaar stellen van PBM’s (Persoonlijke beschermingsmiddelen)
  • Toezicht op het werk, waaronder werkplek veiligheidsinspecties.
  • Het scheiden en ordelijk afvoeren van afval.
  • Gebruik van gekeurd gereedschap.
  • VGM coördinator

De Luka leden beschikken over een bedrijfseigen veiligheids- of Arbosysteem. In veel gevallen zal dit systeem gecombineerd zijn met het milieu- en kwaliteitssysteem.

 

L.1.02 transport en opslag

Het transport van luchtkanalen dient op een verantwoorde wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport van ronde hulpstukken gebruik te maken van dozen, netzakken, bundels, kratten of containers.

Luchtkanalen zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan verbindingsprofielen bij rechthoekige kanalen en aan de randen van ronde kanalen, verhogen de kans op luchtlekkages. Om beschadigingen zoveel mogelijk te voorkomen, verdient het aanbeveling de leveringen op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage.

De opslag op de bouwplaats kan zowel in de open lucht als in de ruwbouw plaatsvinden. In beide gevallen dienen de kanalen op een droge ondergrond te worden opgeslagen. Bij plaatsing in de open lucht dienen de kanalen tegen extreme weersinvloeden en vervuiling te worden beschermd. Het is gewenst de luchtkanalen en hulpstukken, na aflevering op de bouwplaats, met behulp van een kraan of bouwlift zo dicht mogelijk bij de plaats van montage op te slaan.

 

L.1.03 montagevoorschriften rechthoekige en ronde luchtkanalen

Bij aanvang van elke montage dient de leidinggevende monteur in het bezit te zijn van montagetekeningen c.q. materiaallijsten. Tevens dient de montageleiding uitleg te geven over de inhoud van de montagevoorschriften en de specifieke voorschriften die gelden voor de bouwlocatie.

 

L.1.03.1 ophanging en ondersteuning van ongeïsoleerde rechthoekige metalen kanalen

De luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.

 

De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de luchtkanalen, inclusief de tussengebouwde appendages, door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.;
  • kanaalhoeken met rubber inlage.

De ophanging moet samengesteld worden uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal, voorzien van vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal hart-op-hart 3 meter, kunnen worden uitgevoerd in een profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen. (zie bijgevoegde tabel)

 

Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden minimaal corrosiewerend uitgevoerd. Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen staan in lengte-richting maximaal 2,5 meter hart op hart.

 

L.1.03.2 ophanging en ondersteuning van rechthoekige kunststof, mineraalwol en hardschuim kanalen

Rechthoekige luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.

 

De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de lucht-kanalen, inclusief de tussen gebouwde appendages, door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.

De ophanging samen te stellen uit een boven- en onderbeugel met draadstangen minimaal M6, direct langs het kanaal. De afstand tussen deze draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte. De beugels, met een onderlinge afstand van maximaal 3 meter hart op hart, moeten worden uitgevoerd in profielvorm, dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen (zie tabel L.1.03.1). Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden minimaal corrosiewerend uitgevoerd. Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige of aluminium (AlMg3) ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen staan in lengterichting maximaal 2,5 meter hart op hart.

 

Montagevoorbeelden ongeïsoleerd rechthoekig kanaalwerk

 

 

 

 

 

 
 
 

 

L.1.03.3 ophanging en ondersteuning van geïsoleerd rechthoekig kanaalwerk

Indien het kanaalwerk na het monteren uitwendig wordt geïsoleerd, moeten tussen de onderbeugel en het kanaal MDF afstandblokjes 50 x 50 x 25 of harde persing isolatiestroken van 100 x 25 mm zijn aangebracht.
Dit geldt niet indien de kanalen voor de montage worden geïsoleerd (zogenaamd voorisoleren).

 

Montagevoorbeelden geïsoleerd rechthoekig kanaalwerk

 

 

 

 

 

 

 

 

L.1.03.4 ophanging en ondersteuning van ronde metalen kanalen

Ronde luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal. De meest voorkomende constructies zijn:

  • consoles, verzinkt of tenminste met zinkstof verf afgewerkt, die voor bevestiging tegen een bouwkundige constructie worden toegepast;
  • ophangconstructies, die een zodanige sterkte hebben dat het totale gewicht van de luchtkanalen, inclusief de tussengebouwde appendages door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.

De beugels bij buizen met een diameter van 500 mm en groter moeten worden uitgevoerd als tweepuntsophanging met een boven- en onderbeugel. Tussen de beugel en het luchtkanaal dient vilt of P.E.-band met minimale afmetingen van 18 x 4 mm te worden toegepast.
Voor kleinere diameters wordt volstaan met éénpuntsbeugels uit sendzimir verzinkt staalband of gaatjesband, voorzien van vilt of P.E-band, of met geplastificeerd gaatjesband met éénpuntsophanging. Daarnaast kunnen standaard beugels met rubber inlage worden toegepast. De maximale hartafstand van de beugels onderling is 3 meter. Bij schachtkanalen kan gebruik worden gemaakt van consoles tegen de wand, dan wel profielen aan de kanalen, die worden afgesteund op de vloer. De stalen constructies worden corrosiewerend uitgevoerd. Dakkanalen steunen, door middel van weersbestendige ondersteuningsprofielen, op de door de bouwkundig aannemer aangebrachte dakvoorzieningen. Deze ondersteuningen staan in lengterichting maximaal 2,5 meter hart op hart.

 

L.1.03.5 ophanging en ondersteuning van ronde kunststof kanalen

Deze luchtkanalen worden zodanig bevestigd of opgehangen dat de kanaaldelen met appendages een stabiel en strak geheel vormen. Bij de keuze van materialen en constructie-uitvoering wordt rekening gehouden met de omgevingscondities en de lineaire uitzettingen van het kanaalmateriaal.

 

principe ophanging ongeïsoleerd kanaalwerk

 

 

 

L.1.04 montagevoorschriften plafondroosters

Indien besteksmatig geen nadere specificatie van de plafondconstructie is aangegeven, wordt er van uitgegaan dat er sprake is van een rasterwerk van 600 x 600 mm voor het inleggen van de plafondroosters.
Roosters dienen te worden aangeleverd per lokaal waar ze gemonteerd moeten worden en voorzien te zijn van een code die correspondeert met een plaatsbepaling op de montagetekening. De opdrachtgever moet er voor zorgen dat de “technische plafondtegels” in het rasterwerk worden gelegd. Zogenaamde “technische plafondtegels” zijn plafondtegels voorzien van sparingen, overeenkomstig de sparingsmaat van de desbetreffende roosters. Het luchtkanaalbedrijf monteert de tegels aan de roosters en plaatst de tegel met rooster in het rasterwerk, op de plaats die is aangegeven op de montagetekening. Vervolgens wordt het rooster met een flexibele slang aangesloten op het kanalensysteem. Om het vuil worden van omliggende plafondtegels te voorkomen, moeten de omschreven werkzaamheden worden uitgevoerd voordat de overige plafondtegels worden aangebracht. Wanneer een rooster wordt geleverd met een moduul plaat van 595 x 595 wordt het rooster rechtstreeks in het rasterwerk van 600 x 600 mm gelegd. Indien besteksmatig omschreven is dat de roosters opgehangen moeten worden, zal dit normaliter gebeuren middels 2 snelhangers (met een maximale lengte van 600 mm) aan het bovenliggende bouwkundig plafond. Wanneer het verlaagde plafond niet uit een rasterwerk bestaat maar uit, in elkaar geschoven, platen, lamellen plafond of gips plafond, zullen de roosters, middels snelhangers met een lengte van maximaal 600 mm tijdens de montage van de plafonds. aan het bovenliggende plafond moeten worden opgehangen. In verband met de planning en het voorkomen van wachttijden dient dit te worden uitgevoerd door derden.

 

L.1.05 montagevoorschriften appendages

 

L.1.05.1 algemeen

In dit deel van het Kwaliteitshandboek worden tussen te bouwen appendages in de luchtkanaalsystemen behandeld. Hierbij zal worden voorbijgegaan aan de werking en het doel van deze appendages in de installatie. Dit hoofdstuk gaat vooral over de montage en de luchtdichtheid van de appendages in het luchtkanaalsysteem.
Uitgangspunt is dat, indien de luchtkanalen voldoen aan luchtdichtsheidseisen, ook aan tussen te bouwen appendages luchtdichtheidseisen dienen te worden gesteld. Deze luchtdichtheidseisen zijn dezelfde als internationaal afgesproken in de NEN-EN 1751. Appendages voorzien van ronde aansluitingen met rubber “safe” afdichtingen verdienen de voorkeur, daar hierbij op een efficiëntere wijze aan luchtdichtheidseisen kan worden voldaan. Voor specifieke productgebonden montagevoorschriften dient contact te worden opgenomen met de leverancier.
De doelstelling is de totale luchttransportweg, tussen luchtbehandelingskast en het rooster, te kunnen laten voldoen aan de LUKA kwaliteitseisen.

 

L.1.05.2 montagevoorschriften rechthoekige appendages

Rechthoekige appendages dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Deze montage-voorschriften voldoen aan de voorschriften NEN-EN 1505 t/m 1507.
De componenten moeten zodanig worden bevestigd of opgehangen, dat ze een strak en stabiel geheel vormen met de luchtkanalen. Dit gebeurt met ophangconstructies die een zodanige sterkte moeten hebben, dat het totale gewicht door draadstangen naar de bouwkundige ophangpunten wordt overgebracht.

 

De ophanging wordt samengesteld uit een onderbeugel van sendzimir verzinkt materiaal (of ander materiaal, indien dit is omschreven in het bestek), voorzien van vilt of P.E. band, met minimale afmetingen van 18 x 4 mm, met draadstangen minimaal M6 direct langs de appendage. De afstand tussen de draadstangen is maximaal 100 en minimaal 30 mm groter dan de kanaalbreedte, afhankelijk van de aanwezigheid van uitwendige isolatie. De beugel moet, voor of achter de appendage, op een minimale afstand van 100 mm en een maximale afstand van 400 mm worden gemonteerd en moet worden uitgevoerd in een profielvorm (zie bijgaande tabel) dan wel in een standaard handelsprofiel van voldoende sterkte, waardoor voldoende stijfheid wordt verkregen.

 

 

Omdat flenzen van de luchtkanalen niet altijd overeenkomen met de flenzen van de appendages zijn er verschillende manieren om deze aan elkaar te koppelen.

  • Wanneer de flenzen uit dezelfde profielen bestaan, worden de hoeken voorzien van een bout + moer verbinding (minimaal M6 x 20) en/of van overslagprofiel in de lengte en breedte. Tussen de flenzen moet een afdichtingsband met gesloten celstructuur met minimale afmeting van 18 x 4 worden aangebracht, waarbij het band in de hoeken moet overlappen (zie A.1.03 dwarsverbindingen).
  • Wanneer de flenzen niet uit dezelfde profielen bestaan, worden de hoeken voorzien van een bout + moer verbinding (minimaal M6 x 20) en van schroef- klemmen op een onderlinge afstand van maximale 400 mm. Tussen de flenzen moet een afdichtingsband met gesloten celstructuur met minimale afmetingen van 18 x 4 worden aangebracht, waarbij het band in de hoeken moet overlappen.

 

L.1.05.3 montagevoorschriften ronde appendages

Er zijn 2 verschillende manieren om de ronde appendages aan de ronde luchtkanalen te bevestigen:

  • de appendage is voorzien van een steekflens (al dan niet voorzien van een rubber-inlage of “safe” verbinding). Het schuifdeel wordt in de spiraal gefelste buis geschoven en met popnagels of zelfborende parkers vastgezet. Wanneer er geen “safe” verbinding wordt gebruikt, zal de verbinding alsnog omwikkeld moeten worden met een daarvoor passende tape (zie A.3.11 verbindingsstukken).
  • de appendage is voorzien van een haakse flens. De flens die aan de appendage zit wordt met een contraflens aan het luchtkanaal gemonteerd. Tussen beide flenzen zal een afdichtingsband met gesloten celstructuur met een minimale afmeting van 15 x 4 of elastische blijvende kit worden aangebracht. De flenzen worden daarna met behulp van minimaal M6 moerbouten met elkaar verbonden.

Appendages, voorzien van ronde aansluitingen voorzien van “safe” verbinding, verdienen de voorkeur, daar hierbij op een efficiëntere wijze aan luchtdichtheidseisen kan worden voldaan.

 

L.1.05.4 transport en opslag appendages

Het transport en opslag van appendages dienen op een verantwoorde wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Appendages zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandelingen. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan appendages verhogen de kans op lekkages. Het verdient daarom aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten (of kunststof) kratten, dozen of containers.
Bij toelevering aan het luchtkanalenbedrijf dient transport en opslag onder verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en door deze te worden verzorgd. Appendages dienen tijdig te worden aangeleverd en zorgvuldig te worden opgeslagen vlakbij de plaats van montage. Bij te vroege levering ontstaat kans op vervuiling of beschadigingen in de bouw. Bij te late levering ontstaan meerkosten door moeilijkere montage en een aparte montagecyclus met kans op luchtlekkages.

 

L.1.05.5 inspectie appendages

Ten behoeve van inspectiemogelijkheden voor appendages worden in de nabijheid inspectie luiken aanbevolen. Deze worden echter alleen aangebracht indien deze in het bestek, dan wel op de bestektekeningen van de luchtkanalen, zijn vermeld of aangegeven.

 

 

L.1.06 appendages voor kanaalinbouw

 

L.1.06.1 brandkleppen

 

materiaalkwaliteit

Normaliter worden brandkleppen vervaardigd van de volgende materialen:

  • omkasting: sendzimir verzinkt staal of promatec H;
  • klepblad: brandvertragend en thermisch isolerend materiaal.

Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier. Een brandklep moet voldoen aan de NEN 6077 en/of NEN-EN 1366-2.

 

verbindingen

De rechthoekige brandklep dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. De ronde brandklep kan zijn voorzien van een insteekflens of voorzien van een flensrand. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk “Luchtkanalen”.

 

afmetingen

De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en 1506 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06 en A3.06. De nominale afmetingen van de brandkleppen hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm. Brandkleppen dienen geselecteerd te worden binnen de nominale snelheden voor de netto doorlaat van de kleppen.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om brandkleppen te inspecteren op werking en klepstand (dit is meestal van buitenaf te controleren). Om op vervuiling te controleren, dient er een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van of geïntregreerd in de brandklep (bij voorkeur aan de bedieningszijde). (zie L.1.05.5)

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van brandkleppen tussen luchtkanalen, zie hoofdstuk “montage voorschriften appendages”.
Voor de montageplaats van brandkleppen in de wand is in onderstaande schetsen de juiste positie aangegeven. Wanneer dit niet mogelijk is zal de brandklep zo dicht mogelijk tegen de brandwerende wand geplaatst moeten worden. Het kanaaldeel tussen het klepblad en de brandwerende wand zal dan van brandwerende isolatie moeten worden voorzien. (zie J.1.o6)

 

 

 

 

L.1.06.2 kleppenregisters

 

materiaalkwaliteit

Normaliter worden kleppenregisters vervaardigd van de volgende materialen:

  • omkasting: sendzimir verzinkt staal of aluminium.

Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.

 

verbindingen

Het kleppenregister dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen benodigd zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk ”Luchtkanalen”.

 

uitvoering

Het kleppenregister kan gelijkroterend, dan wel contraroterend worden uitgevoerd.

 

afmetingen

De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06. De nominale afmetingen van de kleppenregisters hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om kleppenregisters te inspecteren op werking en klepstand (dit is meestal van buitenaf te controleren). Om op vervuiling te controleren dient er een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van de appendage. (zie L 1.05.5)

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van kleppenregisters tussen luchtkanalen, zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”.

 

 

L.1.06.3 variabel en constant volumeregelaars VVR en CVR

 

materiaalkwaliteit

Normaliter worden VVR en CVR vervaardigd van het volgende materiaal:
- omkasting: sendzimir verzinkt staal.
Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.

 

verbindingen

De rechthoekige VVR en CVR dienen voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. De ronde VVR en CVR regelaars kunnen zowel met een steekverbinding als met een flensrand worden uitgevoerd. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk “luchtkanalen”. Voor de goede werking van de regelaar verdient het aanbeveling een recht aanstroomkanaalstuk van 3 tot 5 maal de hoogte of diameter voor de aanstroomzijde van de appendage aan te brengen. Dit volgens voorschriften van de leverancier.

 

afmetingen

De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en 1506 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06 en A.3.06. De nominale afmetingen van de VVR en CVR hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om de VVC en CVR te inspecteren op werking, klepstand en vervuiling. Daarvoor dient er eventueel een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van de VVR en CVR. (zie L.1.05.5)

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van VVR en CVR tussen luchtkanalen zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”

 

 

L.1.06.4 koelers en verwarmers

 

materiaalkwaliteit

Voor normale comfortventilatie worden koelers en naverwarmers vervaardigd van de volgende materialen:

  • omkasting: sendzimir verzinkt staal;
  • lamellen: aluminium;
  • pijpen: koper;
  • verdeler/verzamelaar: staal of koper.

Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.

 

verbindingen

Een koeler en/of verwarmer c.q. naverwarmer dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen benodigd zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofdstuk “Luchtkanalen”. Om de lekkage, dan wel beschadiging te voorkomen dient boren e.d. bij de montage te worden vermeden.
Bij luchthoeveelheden tot 2000 m3/h worden veelal ingebouwde verwarmers en koelers toegepast met ronde aansluitingen. Deze appendages zijn efficiënter aan te sluiten op de luchtkanalen en leveren een bijdrage aan de luchtdichtheid van het luchtkanaalsysteem indien deze appendages voldoende luchtdichtheid bezitten volgens NEN-EN 1751

 

Bij luchthoeveelheden groter dan 2000 m3/h worden veelal tussen gebouwde verwarmers en koelers met druppelvanger toegepast (zie afbeelding hieronder)

 

 
 
 
 
 
 
 

 

afmetingen

De verkrijgbare nominale afmetingen van de tussengebouwde koelers/verwarmers zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A.1.06. Ze hebben betrekking op de lengte met een tolerantie van +0 tot -5 mm.
De afmetingen zijn afhankelijk van het fabrikaat en in de hoogte (H), meestal verkrijgbaar in een veelvoud van 30, 40 of 60 mm. De breedte (B) is meestal in veelvouden van 50 en/of 100 mm verkrijgbaar. Om een goede werking te garanderen verdient het aanbeveling de verhouding (B/H) 4 aan te houden en voor gelijkmatige lucht-aanstroming zorg te dragen.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om tussengebouwde koelers en/of verwarmers te inspecteren op lekkages, vervuiling etc. Daarvoor dient er een inspectieluik, direct voor en na de koeler en/of verwarmer, in de luchtkanalen te zijn opgenomen. (L. 1.05.5)

 

montagevoorschriften

Tussengebouwde Koelers en verwarmers dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Voor het monteren van de koelers/verwarmers tussen de luchtkanalen zie ook hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”. In tegenstelling tot wat in dit hoofdstuk is omschreven, moet er zowel op een afstand van 100 - 400 mm voor als na de koeler/verwarmer een ophanging worden gemaakt. (zie L. 1.05.2)

 

aanbrengen en afwerking van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt, dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen. Om condensatie te voorkomen dient bij koelers, indien condensatie kan onstaan, de isolatie aan de buitenzijde dampdicht te worden afgewerkt.

 

condensafvoer

Koelers dienen voorzien te worden van een druppelvanger en een lekbak, met een voorziening voor condensafvoer met tussenschakeling van een sifon en met voldoende hoogte om het optredende drukverschil te compenseren. Tevens dient de afvoerleiding te worden voorzien van een drukloze afvoer.

 

transport en opslag

Zeer veel aandacht dient te worden besteed aan het transport. Het transport van koelers en verwarmers dient op een verantwoorde en vooral op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten kratten of containers. Koelers / verwarmers zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan koelpijpen verhogen de kans op lekkages. Om beschadigingen zoveel mogelijk te verkomen, verdient het aanbeveling de levering op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage.

 

 

L.1.06.5 bevochtigers

algemeen

Stoombevochtigers worden toegepast in een uitvoering met directe stoom of met indirecte stoom.
De spreidingsbuis moet, volgens de voorschriften van de fabrikant, op afschot of verticaal naar boven gericht worden gemonteerd.
Voor de juiste condensafvoer dient de druk in de retourleiding belangrijk lager te zijn dan de heersende stoomdruk

 

materiaalkwaliteit

Voor normale comfortventilatie, worden bevochtigers vervaardigd van de volgende materialen:

  • omkasting: meestal van gecoat sendzimir verzinkt plaatstaal en uitgevoerd met een lekbak. In speciale gevallen wordt de omkasting uitgevoerd in roestvast staal.
  • spreidingsbuis: roestvast staal.

verbindingen

De bevochtiger dient voorzien te zijn van een omkasting, voorzien van een flensrand, zodat deze deugedelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor uitvoering hiervan te worden verwezen naar het hoofstuk “lucht-kanalen”. Voor een optimale werking van de bevochtiger zie “montagevoorschriften” hierna.

 

afmetingen

Bevochtigers kunnen over het algemeen worden aangepast aan de reeds bestaande afmetingen. Overleg met de leverancier over de mogelijke inbouwlengten van spreidingsbuizen verdient aanbeveling.

inspectiemogelijkheden
Het moet altijd mogelijk zijn om een bevochtiger te inspecteren op lekkages, vervuiling etc. Daarvoor dient de bevochtiger zodanig uitneembaar te zijn dat alle onderdelen van de
bevochtiger kunnen worden geïnspecteerd en eventueel worden uitgewisseld.

 

montagevoorschriften

Bevochtigers dienen te worden gemonteerd conform de voorschriften van de fabrikant. Voor het monteren van bevochtigers tussen de luchtkanalen zie ook hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”. De bevochtigers moeten zodanig worden bevestigd, dat ze een strak en stabiel geheel vormen met de luchtkanalen. De waterzijdige aansluitingen moeten spanningsvrij gemonteerd kunnen worden. Om de stoom goed in de lucht op te laten nemen, dient er na de bevochtiger 2 meter recht kanaal te worden gemonteerd. Transport / opslag zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Om beschadigingen zoveel mogelijk te verkomen, verdient het aanbeveling de levering op de bouwplaats nauw aan te laten sluiten op de voortgang van de montage.

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt, dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen. Om condensatie te voorkomen dient bij adiabatische bevochtigers de isolatie aan de buitenzijde dampdicht te worden afgewerkt.

 

condensafvoer

De bevochtigers dienen voorzien te worden van een lekbak, met een voorziening voor condensafvoer, met tussenschakeling van een sifon en met voldoende hoogte om het optredende drukverschil te compenseren. Tevens dient de afvoerleiding te worden voorzien van een drukloze afvoer.

 

transport en opslag

Zeer veel aandacht dient er te worden besteed aan het transport. Het transport van koelers en verwarmers dient op een verantwoorde en vooral op zorgvuldige wijze plaats te vinden, zodanig dat transportschade wordt voorkomen. Het verdient aanbeveling voor het transport gebruik te maken van houten kratten of containers. Stoombevochtigers zijn gevoelig voor vervorming door onzorgvuldige of ruwe behandeling. Zorgvuldig afladen is derhalve een noodzaak. Beschadigingen aan koelpijpen verhogen de kans op lekkages.

 

 

L.1.06.6 filtersecties

 

materiaalkwaliteit

Voor normale comfortventilatie worden filtersecties vervaardigd van de volgende materialen:

  • omkasting: sendzimir verzinkt plaatstaal, uitgevoerd met een inspectieluik of deur.

Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.

 

 

verbindingen

De filtersectie dient voorzien te zijn van een omkasting en van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor de uitvoering hiervan verwezen te worden naar het hoofdstuk “luchtkanalen”.

 

afmetingen

De nominale maten van de filtersectie hebben betrekking op de standaard afmetingen van de filtereenheden met een tolerantie van +0 tot -5 mm. De afmetingen zijn gestandaardiseerd aangegeven in de onderstaande tabel.
De lengte van het filter varieert per type en uitvoering van 200 mm tot 915 mm.

 

 

montage voorschriften

Voor het monteren van filtersecties zie hoofdstuk “Montagevoorschriften appendages”.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om de filtersectie te inspecteren op vervuiling. Daarvoor dient er, in gemonteerde situatie, een mogelijkheid te zijn om het filter eenvoudig uit te nemen, om te controleren en te vervangen. De mate van vervuiling kan worden gemeten met behulp van een delta P-meter. (drukverschil meter)

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie), dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.

 

 

L.1.06.7 inspectieluiken

 

algemeen

Ook al worden in de Luka montagevoorschriften, ten behoeve van inspectiemogelijkheden, luiken aanbevolen, dan worden deze slechts alleen aangebracht indien deze in het bestek, dan wel op bestektekeningen, zijn vermeld of aangegeven.

 

Daar waar de luchtkanaalsystemen besteksmatig dienen te worden voorzien van inspectieluiken, dienen de posities en afmetingen hiervan op de tekening te zijn aangegeven. Deze luiken, voorzien van een pakking, worden deugdelijk op het kanaaldeel bevestigd, zonder dat hierdoor de constructieve uitvoering van dit deel wordt verzwakt. Ook kunnen zij worden uitgevoerd als compleet vormstuk, voorzien van een luik. Dit kanaaldeel kan worden gemonteerd tussen de delen van het doorgaande hoofdkanaal.

 

materiaalkwaliteit

Voor normale comfortventilatie worden inspectieluiken vervaardigd van de materialen waaruit de luchtkanalen zijn vervaardigd. Een uitzondering hierop zijn de mineraalwol en hardschuim kanalen waarbij metalen luiken kunnen worden toegepast.

 

afmetingen

De afmetingen zijn afhankelijk van het fabrikaat en kunnen als voorbeeld gekozen worden als aangegeven in de navolgende tabellen voor standaard afmetingen: De nominale maten van de inspectieluiken hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

 
 

 

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal(bij inwendige isolatie) dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.

 

montage

Ongeïsoleerde inspectiedeksels kunnen zowel in ronde buis als in rechthoekige kanaal worden ingebouwd of opgebouwd. Na zorgvuldig de juiste sparing in het kanaal te hebben aangebracht, dient volgens voorschriften van de fabrikant het inspectiedeksel te worden gemonteerd.
Geïsoleerde inspectiedeksels worden normaliter gemonteerd bij geïsoleerde kanalen. Na zorgvuldig de juiste sparing in het kanaal te hebben aangebracht, dient eerst een afdichtingskit aan de onderzijde van het frame van het inspectiedeksel te worden aangebracht, voordat deze op
de eerder aangebrachte sparing wordt gemonteerd. De bevestiging van het frame aan de plaatstalen kanaalwand gebeurt bij voorkeur met behulp van popnagels of zelf borende parkers. Daarna wordt de isolatie door middel van aluminiumtape aan het frame van het inspectie
deksel afgewerkt.

 

 

L.1.06.8 meetstations voor kanaal inbouw

 


 

materiaalkwaliteit

Voor normale comfortventilatie worden meetstations vervaardigd van het volgende materiaal:

  • omkasting: sendzimir verzinkt staal of kunststof PPS.

 

verbindingen

De rechthoekige meetstations dienen voorzien te zijn van een omkasting met een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem.
Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor de uitvoering hiervan verwezen te worden naar het hoofdstuk “luchtkanalen”. Ronde meetstations kunnen zowel van een flensrand als van een steekverbinding worden voorzien.

 

afmetingen

De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en 1506 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06 en A.3.06. De nominale maten van de meetstations hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (inwendige isolatie) dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van meetstations zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”. Het meetstation dient zodanig te worden gemonteerd, dat de pijl op de omkasting wijst in de luchtrichting. Dit is zeer belangrijk voor de goede werking.

 

 

L.1.06.9 ronde en rechthoekige geluiddempers

 

L.1.06.9.1 ronde geluiddempers

 

materiaalkwaliteit

Voor het vervaardigen van ronde geluiddempers wordt gebruik gemaakt van;

  • sendzimir verzinkte buis voor de buitenmantel en geperforeerde sendimiz verzinkte buis voor de binnenmantel (starre dempers);
  • aluminium gefelste flexibele buis (semi-flexibele dempers);
  • kunststof, polystyreen schuimrubber (geluiddemper in kanaal).

wanddikte

Voor de sendzimir verzinkte buis geldt een wanddikte voor standaard uitvoering zoalshieronder is vermeld.
Voor de (semi) flexibele demper is de wanddikte afhankelijk van de fabrikant.

 

soorten geluiddempers

Ronde geluiddempers komen algemeen voor als;

  • starre dempers (zowel rechte als bocht uitvoering)
    De starre demper bestaat uit een spiraal gefelste (of gewalste plaat met langsnaad) buitenmantel en een geperforeerde binnenmantel met tussen deze twee mantels akoestisch materiaal, in de vorm van steen- of glaswol. Tussen de isolatie en de geperforeerde binnenmantel is een doek aangebracht om te voorkomen dat de vezels van het isolatiemateriaal in het kanaal komen. Aan het uiteinde van de demper is een steekverbinding aangebracht, eventueel inclusief rubberen afdichtingsring of voorzien van flenzen, zodat de demper deugdelijk met het luchtkanaalsysteem kan worden verbonden. Al naar gelang de toepassing van de demper, kan deze worden voorzien van een coulisse, dan wel van een kern.
  • semi-flexibele dempers
    De semi-flexibele demper bestaat uit een binnen- en buitenslang van een flexibele aluminium slang, waartussen glaswolisolatie is aangebracht. Tussen de binnenslang en de isolatie kan optioneel een doek worden aangebracht, om te voorkomen dat vezels van het isolatiemateriaal in het kanaal komen. De binnenslang is geperforeerd. De uiteinden zijn voorzien van een steekverbinding voor directe montage in het luchtkanaalsysteem.

lengte van geluiddempers

De lengte van een geluiddemper is afhankelijk van zijn functie in het luchtkanaalsysteem. De meest voorkomende dempers zijn verkrijgbaar in lengten van 300, 500, 600, 750, 900, 1000 en 1200 mm.

 

diameters

Diameters van geluiddempers zijn gestandaardiseerd conform de NEN-EN 1506 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaard afmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder A.3.06. De dikte van de isolatie is afhankelijk van het gebruik en verkrijgbaar in 25, 50 en 100 mm.

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (bij inwendige isolatie) dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom kan worden meegenomen.

 

bochten van semi-flexibele geluiddempers

Een minimale buigradius geeft een grote drukval. Vandaar dat gestreefd moet worden naar een zo ruim mogelijk genomen bocht. Voor semi-flexibele dempers dient een minimum buigradius te worden aangehouden van R= d + 2 x de isolatiedikte. De leveranciers adviseren een minimale buigradius van twee maal de diameter (d).
Dubbele bochten dienen te worden vermeden.

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van ronde geluiddempers zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”.

 

 

L.1.06.9.2 rechthoekige geluiddempers

 

materiaalkwaliteit

Voor het vervaardigen van RH geluiddempers wordt gebruik gemaakt van:

  • buitenmantel: sendzimir verzinkte plaat;
  • coulissen: afgewerkte mineraalwol platen om te voorkomen dat de vezels in de luchtstroom komen.

Andere materiaalkeuze, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier.

 

verbindingen

De rechthoekige geluiddemper dient voorzien te zijn van een flensrand, zodat deze deugdelijk kan worden verbonden met het luchtkanaalsysteem. Indien hiertoe verlopen nodig zijn, dan dient voor de uitvoering hiervan verwezen te worden naar het hoofdstuk “luchtkanalen”.

 

afmetingen

De afmetingen zijn gestandaardiseerd conform NEN-EN 1505 en kunnen worden gekozen als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen, zoals vermeld in dit handboek onder hoofdstuk A1.06. De meest voorkomende standaard lengten zijn: 500, 750, 1000, 1250, 1500 mm. Andere lengten, afhankelijk van de toepassing, in overleg met de leverancier. De nominale afmetingen van de geluiddempers hebben een tolerantie van +0 tot -5 mm.

 

aanbrengen en afwerken van isolatie

Het aanbrengen van de isolatie dient te geschieden conform de voorschriften van de fabrikant/leverancier. Specifiek bij vezelachtig materiaal (bij inwendige isolatie) dienen naden en dergelijke zodanig te worden afgewerkt dat het vezelmateriaal niet door de luchtstroom
kan worden meegenomen.

 

inspectiemogelijkheden

Het moet altijd mogelijk zijn om de geluiddemper te inspecteren op vervuiling etc. Daarvoor dient er een inspectieluik aanwezig te zijn in de nabijheid van de geluiddemper. (L.1.05.5)

 

montagevoorschriften

Voor het monteren van rechthoekige geluiddempers zie hoofdstuk “montagevoorschriften appendages”.

 

luchtdichtheid

Aangezien een geluiddemper als een luchtkanaal wordt beschouwd, zal voor de luchtdichtheids- eis dezelfde eis gelden als voor alle luchtkanalen.

 

L.1.06.10 flexibele slangen

Voor de juiste montage van flexibele slangen gelden onderstaande aandachtspunten.

 

aandachtspunten

Deze worden in het kort omschreven:

  • algemeen;
  • afkorten van slangen;
  • maken van aansluitingen;
  • ophangpunten;
  • beugeling;
  • bochten;
  • aansluitingen op kanalen en armaturen;
  • statische elektriciteit.

algemeen

  • trek de slang volledig uit, een niet volledig uitgetrokken slang leidt tot onnodig veel drukverlies;
  • gebruik nooit meer slang dan absoluut nodig is, tenzij bij berekening hiermee rekening is gehouden;
  • er dient te worden gestreefd naar minimaal 0,5 tot maximaal 1,5 meter te gebruiken slang. Indien een grotere lengte moet worden toegepast, dient de slang op een correcte manier te worden gebeugeld;
  • bij de montage erop letten dat beschadigingen aan de slang worden vermeden;
  • beschadigde binnenslangen dienen direct te worden vervangen;
  • bij kleine beschadigingen aan de buitenmantel dient deze te worden afgewerkt met tape (aluminium tape of pvc tape, afhankelijk van het materiaal van de slang).

 

afkorten van ongeïsoleerde slangen

  • trek de slang goed uit;
  • meet de juiste lengte af en markeer dit punt met een viltstift;
  • snij tussen de spiraal-winding het materiaal over de volle omtrek door;
  • gebruik een kniptang om de spiraal van de slang door te knippen;
  • knip de overtollige spiraal weg.

 

afkorten van geïsoleerde slangen

  • trek de slang goed uit;
  • meet de juiste lengte af en markeer dit punt met een viltstift;
  • snij met een scherp mes door de buitenmantel, het isolatiemateriaal en de binnenslang;
  • snij de slang over de volle omtrek door en gebruik een kniptang om de spiraal van de binnenslang door te knippen. Knip de overtollige spiraal weg;
  • werk met een schaar het eventuele overtollige isolatiemateriaal weg.

 

maken van aansluitingen bij ongeïsoleerde slangen

  • kort de slang op de juiste manier af;
  • schuif de slang minimaal 40 millimeter over de aansluiting;
  • zet vervolgens de slang vast met een stevige slangklem;
  • ook mag de slang worden gemonteerd middels een zogenaamde “guso” ring.

Dit dient wel te geschieden volgens de montagevoorschriften van de leveranciers.

 

maken van aansluitingen bij geïsoleerde slangen

  • kort de slang op de juiste manier af;
  • duw het isolatiemateriaal en de buitenmantel een stukje terug en plak met tape de buitenmantel, inclusiwf het isolatiemateriaal, stevig en luchtdicht op de binnenslang.
  • schuif de slang minimaal 40 millimeter over de aansluiting;
  • gebruik bij voorkeur tape met een breedte van ten minste 50 mm.
  • klem met behulp van een stevige slangklem de buitenmantel met de binnenslang op de aansluiting vast;
  • gebruik aluminium tape voor zuiver aluminium en aluminium folie slangen en gebruik kunststof tape voor kunststof slangen;
  • ook mag de slang worden gemonteerd middels een zogenaamde “guso” ring.

Dit dient wel te geschieden volgens de montagevoorschriften van de leveranciers.

 

ophangpunten

  • de maximale toelaatbare doorzakking van de slang, tussen twee bevestigingspunten, mag niet meer bedragen dan 50 mm (in het midden gemeten);
  • de onderlinge afstand tussen twee ophangpunten kan variëren tussen 1.5 en 3 meter. Deze maat is afhankelijk van het type slang dat wordt toegepast.

beugeling

Een slang is over het algemeen zeer flexibel en kan vrij eenvoudig worden vervormd. Door vervorming vermindert de inwendige diameter en wordt het drukverlies vergroot. Bij beugeling (door middel van bijvoorbeeld geperforeerd band) moet er daarom goed op worden gelet dat de slang niet in diameter wordt verkleind. Ondersteun tevens de slang minimaal over de halve omstek.

 

 

bochten van flexibele slangen

Volgens NEN-EN 13180 dient de buigradius van een flexibele kanaal te voldoen aan R = d. Echter deze minimale buigradius geeft een grote drukval. Vandaar dat gestreefd moet worden naar een zo ruim mogelijk genomen bocht.
Voor flexibele slangen dient men een minimum buig-radius aan te houden van R = d +2 x de isolatiedikte. De fabrikanten adviseren een minimale buigradius van twee maal de diameter (d). Dubbele bochten dienen te worden vermeden.

 

 

 

aansluiting op kanalen en armaturen

De aansluiting van flexibele slangen op kanalen en armaturen moet met de nodige zorg worden uitgevoerd. Omdat veel slangen direct na de aansluiting op het kanaal of het armatuur in een bocht worden gemonteerd, dient een ondersteunende beugel geplaatst te worden.
Flexibele slangen kunnen bij een te “scherpe” kanaalaansluiting een breuk gaan vertonen. Bij aansluiting op licht- c.q. luchtarmaturen moet men een zo ”direct” mogelijke aansluiting op een armatuur maken, wel met inachtneming van wat hierboven is beschreven. Teveel bochten in de slang bij een armatuur doen het drukverlies onnodig oplopen en kunnen geluid veroorzaken. Een minimale buigradius geeft een grote drukval.
Vandaar dat gestreefd moet worden naar een zo ruim mogelijk genomen bocht met een rechte aanzuig van 2 x de diameter (d). Voor flexibele slangen dient men een minimum buigradius aan te houden van R = d + 2 x de isolatiedikte. De leveranciers adviseren een minimale buigradius van twee maal de diameter. Dubbele bochten dienen te worden vermeden.

 
 
 
 

"guso ring"

 
 

 

statische elektriciteit

In een aantal situaties kan, bij met name kunststof slangen, het opbouwen en ontladen van statische elektriciteit explosiegevaar opleveren. Door de spiraaldraad van de flexibele slang met een aardedraad te verbinden, kan de opbouw van statische elektriciteit worden geminimaliseerd.

 

 

 

L.1.06.11 plenumbakken (rooster plenums)

 

materiaalkwaliteit

Plenumbakken ten behoeve van roosters kunnen worden vervaardigd van metaal, mineraalwol, kunststof of hardschuim. De plenumbakken kunnen naar behoefte worden voorzien van een in- of uitwendige isolatie.

 

wanddikte

Wanddikte van het materiaal is afhankelijk van de toepassing en materiaalsoort.

 

uitvoering

Er zijn vele uitvoeringen van plenumbakken, afhankelijk van gebruik, soort rooster en toepassing. Normaliter zal een plenumbak voor, bijvoorbeeld een plafondrooster, er uitzien als onderstaand figuur. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een plenumbak met boven- en zij-aansluiting voor een kanaalsysteem.
De naden in de plenumbak dienen door het aanbrengen van plastisch blijvende kit luchtdicht te zijn uitgevoerd.