A.3.00 Ronde kanalen van verzinkt staal
A.3.01 plaatkwaliteitVoor het vervaardigen van verzinkte luchtkanalen wordt plaatstaal toegepast in de kwaliteit DX51 DZ 275 MAC met een tweezijdige zinklaag, volgens het sendzimir-procédé aangebracht, met een laagdikte van 275 g/m² tweezijdig volgens drievlakkenproef gemeten. Plaatkwaliteit/zinkkwaliteit volgens NEN-EN 10.142, tolerantie volgens EN 10.143 (de zinklaag heeft een gemiddelde dikte van 20 micron per zijde).
A.3.02 plaatdikte
A.3.02.1 buizenDe verzinkte luchtkanalen worden uitgevoerd in een plaatdikte, die afhankelijk is van de diameter, zoals onderstaand gespecificeerd.
A.3.02.2 hulpstukkenHulpstukken worden uitgevoerd in een plaatdikte die afhankelijk is van de diameter. Uitgaande van de diameter geldt voor minimale plaatdikte bij standaarduitvoering:
A.3.03 verbinding in buizenDe verbinding in het spiraalgewikkelde band wordt uitgevoerd in een vlakke fels, waarbij voldoende stijfheid en luchtdichtheid worden verkregen.
A.3.04 verbinding in hulpstukkenDe verbinding van de naden in hulpstukken wordt zo uitgevoerd dat voldoende stijfheid en luchtdichtheid worden verkregen. Deze verbinding wordt uitgevoerd door middel van lassen of felsen.
A.3.05 lengte van buizenBuizen worden standaard geleverd in lengten van 3000 of 6000 mm. Uit technische overwegingen wordt de lengte in principe niet kleiner uitgevoerd dan de diameter van de buis met een minimum lengte van 300 mm.
A.3.06 diametersDe buizen worden uitgevoerd in standaarddiameters die zijn aangegeven in NEN-EN 1506, namelijk 63 - 80 - 100 - 125 - 160 - 200 - 250 - 315 - 400 - 500 - 630 - 800 - 1000 en 1250 mm. Aanvullende maten, genoemd in de norm zijn: 150 - 300 - 355 - 450 - 560 - 710 - 900 - 1120 mm.
A.3.07 bochtenWat vorm betreft worden bochten standaard uitgevoerd met een straal gemeten over het hart van de bocht, gelijk aan de diameter, met uitzondering van de diameters 63 en 80 waarvan de straal 100 mm is. Standaard worden bochten uitgevoerd in hoeken van 15°, 30°, 45°, 60° en 90°, in geperste of gesegmenteerde uitvoering met een tolerantie van ± 2°.
A.3.08 verlopenVerlopen kunnen zowel symmetrisch als a-symmetrisch worden uitgevoerd en hebben een tophoek van minimaal 15° en maximaal 60°. Voor geperste verlopen mag de tophoek maximaal 90° zijn. Standaard worden symmetrische verlopen toegepast.
|
|
![]() |
A.3.09 aftakkingenEen aftakking (afsplitsing van een doorgaand hoofdkanaal) kan tot stand worden gebracht door middel van een:
en kan standaard worden uitgevoerd onder hoeken van 90° en 45°. Uitvoeringen onder een hoek < 45° dienen uit technische overwegingen te worden vermeden.
|
|
![]() |
A.3.10 splitsingenEen splitsing is een deling van een hoofdkanaal in twee doorgaande kanalen. Hij kan tot stand worden gebracht door middel van een:
Bij een broekstuk kan de splitsing plaatsvinden onder een hoek a= 90° of 60°. Bij een omgekeerd T-stuk vindt de splitsing plaats onder een hoek a= 180
A.3.11 verbindingsstukkenDeze vinden standaard hun toepassing bij:
De grootte van de insteeklengte van de hulpstukken, is afgestemd op NEN-EN 1506. Voor de overlaplengte dienen de volgende minimale lengten te worden aangehouden:
De verbindingen worden vastgezet door middel van zelfborende parkers en worden afgewerkt door gebruik te maken van:
De genoemde tapes dienen volgens de aanbevelingen van de leverancier te worden aangebracht.
A.3.12 instelkleppenInstelkleppen worden handinstelbaar uitgevoerd en dienen om een installatie in te regelen. Ze zijn voorzien van een deugdelijke vastzetinrichting, waaruit tevens de klepstand blijkt. Het klepblad, uit hetzelfde materiaal als het lucht-kanaal, wordt tot een oppervlak van 0,3 m2 uitgevoerd in een enkele plaat. Indien het oppervlak groter is, wordt het blad in dubbele plaat uitgevoerd of verstevigd. De kleppen zijn voorzien van een goede en luchtdichte lagering.
A 3.13 einddekselsDeksels worden uitgevoerd in hetzelfde materiaal als de buizen.
A.3.14 tolerantiesDe maximale tolerantie voor de lengte van een kanaal is ± 0,005 x L. |
|







.jpg)
.jpg)

.jpg)

.jpg)
.jpg)
.jpg)
