A.1.00 Rechthoekige kanalen van verzinkt staal
A.1.01 plaatkwaliteitVoor het vervaardigen van verzinkte luchtkanalen wordt plaatstaal toegepast in de kwaliteit DX51 DZ 275 MAC met een tweezijdige zinklaag volgens het Sendzimir-procédé aangebracht, met een laagdikte van 275 g/m2 tweezijdig volgens drievlakkenproef gemeten. Plaatkwaliteit/zinkkwaliteit volgens NEN-EN 10.142, toleranties volgens NEN-EN 10.143 (de zinklaag heeft een gemiddelde dikte van 20 micron per zijde).
A.1.02 plaatdikteVerzinkte luchtkanalen worden uitgevoerd in een plaatdikte die afhankelijk is van de grootste kanaalzijde, zoals onderstaand gespecificeerd.
A.1.03 dwarsverbindingenBij rechthoekige luchtkanalen kunnen verschillende typen dwars-verbindingen worden toegepast. Deze zijn bedrijfsgebonden, waarbij
Deze dwarsverbindingen kunnen (afhankelijk van het bedrijf) aan het kanaal aangewalst zijn of door middel van doordrukkingen, puntlassen, parkers of popnagels aan het kanaal worden bevestigd.
A.1.04 langsverbindingenLangsverbindingen tussen kanaaldelen onderling worden in principe in een felsverbinding uitgevoerd. Daar waar nodig wordt ten behoeve van de luchtdichtheid in- of uitwendig plastisch blijvende kit aangebracht.
A.1.05 verstijvingenLuchtkanalen worden met een zodanige stijfheid uitgevoerd, dat hinderlijke trillingen en vervormingen niet optreden. Uitgaande van toepassing van de aanbevolen minimale plaatdikten volgens A.1.02, geldt dit voor rechthoekige metalen kanalen voor zover de grootste zijde van de dwarsdoorsnede ≤ 400 mm is. Wordt deze afmeting overschreden, dan zijn extra voorzieningen vereist. De mate van overschrijding is bepalend voor de uitvoeringsvorm van de voorzieningen.
Voor kanalen met een zijde > 800 mm gelden voor de betreffende kanaalwandvlakken de eerder vermelde uitvoeringsvormen, waarbij vlakken met een oppervlak groter dan 1,5 m2 extra worden verstijfd door onderverdeling hiervan in deelvlakken van ten hoogste 1 m2. Deze extra verstijvingen in de vorm van strippen, profielen, buizen of platen worden in- of uitwendig aangebracht.
A.1.06 afmetingenDe nominale maten van de luchtkanalen worden in mm aangegeven en hebben betrekking op de inwendige afmetingen met een tolerantie van +0 tot -4 mm. De afmetingen zijn gestandaardiseerd naar NEN-EN 1505 en kunnen gekozen worden als aangegeven in de tabel voor standaardafmetingen.
A.1.07 zichtwerkAls in een luchttechnische installatie een deel van het luchtkanaalsysteem dient te worden uitgevoerd als “zichtwerk”, zal dit worden uitgevoerd zoals het overige kanaalwerk, tenzij dit in het bestek c.q. de uitvoeringsspecificatie anders is vermeld. Bij kanaalwerk, aangemerkt als zichtwerk, zullen uitwendig aangebrachte stickers en aanduidingen worden verwijderd, terwijl de vereiste luchtdichtheid door inwendig kitten zal worden verkregen. Aanvullende maatregelen in het kader van zichtwerk behoren normaliter niet tot de standaard uitvoering.
A.1.08 bochten
A.1.08.1 symmetrische bochtenWat vorm betreft worden symmetrische bochten in principe rond uitgevoerd, dat wil zeggen met een binnen- en buitenstraal ; de binnenstraal is 100 mm of groter. (bij vloer of wandsparingen, waar geen ruimte is voor een binnenstraal, wordt een haakse binnen bocht toegepast) Teneinde de weerstand in een bocht te beperken, worden bochten van schoepen voorzien. Schoepen ontbreken bij:
De plaats van de schoepen wordt bepaald volgens de onderstaande tabel.
A.1.08.2 verlopende bochtenBij verlopende bochten is de kleinste kanaalbreedte maatgevend voor het aantal schoepen, conform bovenstaande tabel. De verhouding voor de plaats van de schoepen van de grootste kanaalbreedte is dan gelijk aan de verhouding voor de schoepen van de kleinste kanaalbreedte.
A.1.08.3 uitvoering schoepenDe schoepen worden uitgevoerd in enkele plaat. Het plaatmateriaal is gelijk aan het materiaal waaruit het kanaal is vervaardigd. De uitvoering en bevestiging zijn van voldoende sterkte, terwijl de schoepeinden zijn verstijfd.
A.1.09 verloopstukkenVerloopstukken worden zo uitgevoerd, waarbij de tophoek a in principe maximaal 60° mag bedragen.
A.1.10 aftakkingenEen aftakking (afsplitsing van een doorgaand hoofdkanaal) kan tot stand worden gebracht door middel van een hulpstuk in rechthoekige of ronde uitvoering. Luchttechnische aspecten bepalen mede de typen, zoals de onderstaande afbeeldingen weergeven. |
|
![]() |
A.1.11 splitsingenEen splitsing is een deling van een hoofdkanaal in twee doorgaande kanalen. |
![]() |
A.1.12 instelkleppenInstelkleppen worden handinstelbaar uitgevoerd en dienen om een installatie in te regelen. Ze zijn voorzien van een deugdelijke vastzetinrichting, waaruit tevens de klepstand blijkt. Het klepblad, van hetzelfde materiaal als het luchtkanaal, wordt uitgevoerd in een enkele plaat met een dikte van tenminste 1,25 mm tot een maximale bladbreedte (B) van 500 mm en tot een maximale oppervlak van 0,25 m2. Bij de klepbladen worden de randen evenwijdig aan de asrichting afgerond en verstijfd.
A.1.13 tolerantiesDe maximale tolerantie voor de lengte van een recht kanaal is ± 0,005 x L. |









